Ja, je hebt (recht op) een GO! account en toegang tot GO! pro.
Contacteer de lokale gegevensbeheerder van je scholengroep.
Ruben Vanrusselt is directeur van GO! atheneum Martinus Bilzen. De school biedt richtingen in drie finaliteiten aan. Ruben zag het leerlingenaantal op tien jaar tijd verdubbelen tot 650 leerlingen. Volgens Vanrusselt speelt de visie rond academisch optimisme een belangrijke rol in die groei: “Ik zag een grote boost tijdens de coronaperiode. Onze manier van omgaan met leerlingen kwam toen heel sterk de huiskamer binnen. Ouders zagen dat die aanpak verschilde van wat veel andere scholen deden.”
Even inzoomen op wat academisch optimisme op deze school betekent.
Iedereen kan leren
Vanrusselt: “Belangrijk is om eerst te zeggen wat academisch optimisme niet is. Je mag het zeker niet verwarren met een soort naïeve, positieve grondhouding. Academisch optimisme gaat erover om niet te blijven vastzitten op zaken waar je geen vat op hebt en de focus te leggen op wat je als school en als team wél kan veranderen.”
Vanrusselt verduidelijkt: “We koppelen als mens graag een gevolg aan een oorzaak. Zoals: iemand is niet sterk in Nederlands omdat die thuis een andere taal spreekt. Een leerling heeft nu eenmaal weinig aanleg voor wiskunde, vandaar die mindere toetsen. Dat betekent dat we niets aan die situatie kunnen veranderen.”
“Die cirkelredenering moeten we doorbreken. Randfactoren spelen vaak een belangrijke rol, maar net daarom moeten we vooral focussen op wat we wél zelf kunnen veranderen om meer tot leren te komen. Zo kunnen we de lat voor élke leerling hoger leggen.”
Het probleem van externe attributie
Ruben Vanrusselt ziet hoe academisch optimisme een positieve impact heeft op zijn school. Een sprekend voorbeeld is de transformatie van enkele klassen in het tweede jaar van de B-stroom.
Vanrusselt: “Wij hadden drie klassen in het tweede jaar met veel gedragsproblemen. De leerlingen waren niet gemotiveerd, stoorden voortdurend de les en waren zelden in orde. De leerkrachten waren de wanhoop nabij, zeker omdat ze zelf heel gemotiveerd waren om die leerlingen iets bij te leren. Maar het lukte gewoon niet.”
We moeten stoppen met externe factoren als verklaring te geven waarom iets niet lukt. Belangrijk is te focussen op wat we als school en als team zélf in handen hebben om het leren te versterken.
— - Ruben Vanrusselt
“Ik vroeg waar dat volgens hen aan lag. Ze legden de oorzaken vooral bij externe factoren. De leerlingen hebben hun materiaal nooit bij, ze moeten te vaak van klas wisselen en kunnen zo de boel makkelijk op stelten zetten, er zijn te weinig kastjes in de lokalen, enzovoort. Dat noemen we externe attributie. We leggen de oorzaak van iets dat fout loopt bij iets waar we zelf geen vat op hebben. Maar dat leidt enkel tot frustratie en kan uiteindelijk ook leiden tot burn-out.”
Oorzaken weg, problemen niet
“Aanvankelijk ben ik hen tegemoetgekomen,” gaat Ruben verder. “Ik heb alles aangepast wat volgens de leerkrachten de problemen veroorzaakte: vaste lokalen, pakketjes materiaal voor elke leerling, meer kastruimte… Na een paar maanden bleek er in het gedrag echter niets veranderd. Het waren dus niet die externe factoren die aan de basis lagen van de problemen.”
“Uiteindelijk kwamen de leerkrachten zelf met het idee om na te denken over de manier waarop ze lesgaven. We zijn vervolgens een traject gestart met de Pedagogische Begeleidingsdienst van het GO! (PBD-GO!) rond flexibele lesorganisatie, zelfregulatie en coteaching.”
De echte doorbraak kwam er pas toen de leerkrachten zelf begonnen te kijken naar hun eigen manier van lesgeven.
— Ruben Vanrusselt
Coteaching en zelfregulerend leren
“Nu zitten de drie klassen samen in één grote ruimte en werken we voor de theorievakken veertien lesuren samen in coteaching. De leerkrachten MAVO, Nederlands en wetenschappen-wiskunde geven samen les. De leerlingen hebben hun eigen programma en kunnen zelf kiezen of ze bijvoorbeeld aan Nederlands werken of een instructiemoment volgen.”
“De resultaten waren bijna meteen duidelijk en het aantal meldingen van gedragsproblemen daalde fors”, zegt Vanrusselt. “Nog mooier is dat ook de resultaten bij de Vlaamse toetsen veel beter werden. Het was een dermate spectaculaire verbetering dat we die niet op een andere manier kunnen verklaren dan door de andere aanpak.”
Olievlek van academisch optimisme
“Door dit succesverhaal verspreidt deze aanpak zich sindsdien als een olievlek in onze school. Zo hebben we ondertussen op de hele school in de arbeidsmarktgerichte finaliteit veel minder te maken met probleemgedrag en absenteïsme. Niet alles vinden de leerlingen fijn, maar dat moet ook niet. Ze vinden het vooral plezant als ze zien dat ze vooruitgaan. En dat is uiteindelijk de bedoeling.”
“Wat we in die klassen gedaan hebben is niet voor elke context een oplossing. Het is altijd bekijken wat werkt voor een bepaalde school of groep. Belangrijk is dat je als school beseft dat je met je team een verschil kan maken om leerlingen meer te laten leren. Zo kan je de lat hoger leggen.” Academisch optimisme is kneedbaar, het is mogelijk om hierin te groeien, als schoolleider, als leerkracht, maar ook als hele school.


