Ja, je hebt (recht op) een GO! account en toegang tot GO! pro.
Contacteer de lokale gegevensbeheerder van je scholengroep.
Beste GO! collega,
De voorbije weken werd er, naar aanleiding van de PISA-resultaten, opnieuw gepleit voor meer waardering voor de arbeidsmarktgerichte finaliteit. Dat is een nobele en een terechte boodschap, maar ze draagt geen oplossingen aan. En ze geeft geen antwoord op de vraag hoe we ervoor zorgen dat elke jongere in het beroepsonderwijs alle kansen krijgt om te slagen.
Oplossingen zijn nochtans nodig, dat leert de harde realiteit van de cijfers. In de arbeidsmarktgerichte finaliteit haalt driekwart van de 15-jarigen de basisgeletterdheid niet. Dat betekent dat ze onvoldoende bagage hebben om volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Dat cijfer kan niemand onberoerd laten. Niet de onderwijsverstrekkers, niet de beleidsmakers, niet de samenleving als geheel. Ook de noodkreten uit ons veld mogen we niet negeren. Daarom is een plan van aanpak nodig, waarbij we bereid zijn om ook ongemakkelijke waarheden onder ogen te zien.
Kwaliteit zichtbaar maken
Voor mijn doctoraatsstudie onderzocht ik de zogenaamde frustratiehypothese. Die vertrekt van het idee dat jongeren in het beroepsonderwijs gefrustreerd raken en uiteindelijk afhaken omdat ze via een waterval aan studierichtingen in het vakonderwijs zijn terechtgekomen.
Die hypothese klopt niet. Jongeren die bewust voor een praktische opleiding hebben gekozen, ervaren ook een gebrek aan waardering waardoor ze zonder diploma dreigen uit te stromen. Dat zegt iets over een dieperliggend probleem. Niet de studiekeuze zelf blijkt bepalend, maar wel de cultuur in het beroepsonderwijs en de blik waarmee we als samenleving naar het beroepsonderwijs kijken. Te vaak worden leerlingen er geconfronteerd met lage verwachtingen. Te vaak krijgen ze impliciet de boodschap dat het beroep waarvoor ze leren minder belangrijk is dan andere jobs. Dat ze als mens minder waard zijn. Zoiets is nefast. Want jongeren groeien in de verwachtingen die volwassenen van hen hebben.
Gelukkig is het niet overal zo. Er zijn tal van GO! scholen waar leraren en directies elke dag bewijzen dat ambitie en beroepsonderwijs perfect samengaan. Scholen waar leerlingen worden uitgedaagd om uit te groeien tot vakmensen die trots zijn op hun expertise. De vraag is hoe we die kwaliteit beter zichtbaar maken.
Meten wat telt
Een eerste stap is meten wat echt telt. Hoe snel vinden afgestudeerden werk? Sluiten hun competenties aan bij de noden van de arbeidsmarkt? Dat zijn essentiële vragen, maar vandaag beschikken scholen nauwelijks over die informatie. Nochtans bestaan die gegevens. De Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid weet perfect hoe afgestudeerden hun weg vinden naar de arbeidsmarkt. Die individuele gegevens kunnen eenvoudig gekoppeld worden aan scholen, maar dat gebeurt niet. Ondanks aandringen.
Dat is een gemiste kans. Met dergelijke gegevens kunnen scholen leren van elkaar. Ze kunnen zien waar jongeren succesvol doorstromen naar werk en waar extra ondersteuning nodig is. Net zoals we dat met de Vlaamse toetsen doen. Bovendien kan die transparantie ook bijdragen aan een grotere waardering voor het beroepsonderwijs. Scholen die aantoonbaar sterke vakmensen afleveren, zullen vanzelf aan prestige winnen.
Ook onze manier van evalueren verdient een grondige reflectie. Jongeren voorbereiden op een beroep betekent meer dan hen toetsen op Nederlands en wiskunde alleen. Daarom lijkt het nuttig om de Vlaamse toetsen uit te breiden naar andere domeinen die de technische kennis van leerlingen toetsen.
Respect vraagt hoge verwachtingen
Natuurlijk is dit nog geen oplossing om de zorgwekkende cijfers voor lezen op te krikken. Die basisvaardigheid blijft cruciaal. Een loodgieter moet handleidingen kunnen lezen. Een koeltechnicus moet technische informatie correct interpreteren. Een kapper moet een boekhouding kunnen bijhouden. Al deze jongeren moeten een volwaardige rol in de samenleving kunnen opnemen.
Dat betekent dat we onszelf moeten durven afvragen of sommige bestaande praktijken het gewenste effect hebben. Werkt een systeem van overgaan op leeftijd wel voldoende motiverend? Hoe effectief zijn vakoverschrijdende lessen waarvan we weten dat ze heel moeilijk zijn om goed te geven? Hebben schoolteams voldoende ruimte om zowel algemene vorming als beroepsgerichte expertise te versterken? Dat zijn geen gemakkelijke vragen. Maar onderwijs wordt niet beter door moeilijke discussies uit de weg te gaan. Er bestaan geen eenvoudige oplossingen. Wie dat beweert, onderschat de complexiteit van onderwijs. Dat mag echter geen excuus zijn om niets te doen.
De vraag of beroepsonderwijs meer waardering verdient is eigenlijk al lang beantwoord. De echte vraag is of we bereid zijn dezelfde kwaliteitsambitie te tonen als voor elke andere onderwijsvorm. In het GO! is het antwoord volmondig ja. Want respect voor beroepsonderwijs begint niet bij wat we erover zeggen, respect begint bij wat we ervan verwachten.
Koen Pelleriaux
Afgevaardigd bestuurder


