Ben je geen GO! professional? Surf dan naar www.g-o.be, onze algemene website.
menu

Waarden troef

Tips voor het gebruik van het waardenkaartspel

 
IN GROEP ONDER LEERKRACHTEN, LEERLINGEN OF OUDERS

1. Deelnemers concretiseren waarden

  • Laat de deelnemers voor de waarde op een kaartje vertellen wat die waarde voor hen betekent in het dagelijks leven.
  • Vergelijk eventueel met de gedragingen die in het Waardenboek staan.

2. Elkaars kwaliteiten benoemen

  • Leg de kaarten open op een tafel.
  • De deelnemers gaan rond de tafel staan en nemen 1 kaart die ze toepasselijk vinden voor hun buur.
  • Om de beurt vertellen ze aan de groep waarom ze die kaart gekozen hebben. Ze geven voorbeelden van concrete gedragingen.

3. Eigen kwaliteiten benoemen

  • Leg de kaarten open op een tafel.
  • De deelnemers nemen 1 kaart die ze toepasselijk vinden voor zichzelf.
  • Om de beurt vertellen ze aan de groep waarom ze die kaart gekozen hebben. Ze geven voorbeelden van concrete gedragingen.

4. Schoolwaarden kiezen en concretiseren

  • Vorm groepjes van vijf.
  • Kies vijf kernwaarden.
  • Bespreek ze eerst onderling en vervolgens plenair.

INDIVIDUEEL

  • Verduidelijk je eigen waarden.
  • Neem de waardenkaarten die voor jou rechtstreeks verband houden met het vak dat je doceert of de functie die je vervult.
  • Verduidelijk waarom die waarden voor jou belangrijk zijn.

IN DE LES

1. Les in het teken van een waarde

  • Leid een waarde bij het begin van de les in.
  • Stop geregeld tijdens de les als die waarde aan bod komt.

2. Waarde raden

  • Kondig aan dat je les in het teken van een bepaalde waarde staat. Zeg niet welke.
  • Vraag de leerlingen om op het einde van de les te raden welke waarde je voor ogen had.
  • Neem voldoende tijd voor de nabespreking. Er zijn geen 'foute' antwoorden.

3. Klasregels

  • Leg de kaarten open op een tafel.
  • Laat de leerlingen kaarten kiezen die zij voor hun klasgroep het belangrijkst vinden.
  • Laat hen de waarden bespreken en er klasregels aan verbinden.

4. Conflicthantering

  • Gebruik de waardenkaarten om bij een conflict duidelijk te maken welke waarden geschonden zijn en aan welke behoeften voldaan moet worden.

5. Zelfportret

  • Verdeel de kaarten onder de deelnemers zodat ze allemaal hetzelfde aantal hebben (minstens 3). De leerlingen tonen elkaar hun kaarten niet.
  • Om de beurt geven ze een kaart, waarvan ze vinden dat die niet bij hen past, aan hun linkerbuur. Ze ontvangen een kaart van hun rechterbuur.
  • Een speler die volgens hem/haar een setje van kaarten heeft dat volledig bij hem/haar past, is uit.
  • Alle spelers leggen hun zelfportretje voor en geven concrete voorbeelden van elke kaart.

6. Waardenrollenspel

  • Kies 3 of 5 waarden.
  • Beschrijf voor elke waarde kort een uitgangspunt voor het rollenspel. Bv. 'Op de speelplaats maakt een leerling een ongepaste opmerking over het uiterlijk van een medeleerling.
  • Bepaal het aantal deelnemers en geef elke deelnemer een rolfiche met instructies bij de rol.
  • Maak vooraf ook duidelijk speregels zodat het rollenspel optimaal en veilig kan verlopen.

Meer inspiratie vind je ook in het GO! waardenboek.