Ben je geen GO! professional? Surf dan naar www.g-o.be, onze algemene website.
menu

Erasmus+ Schoolonderwijs

ERASMUS+ VOOR HET SCHOOLONDERWIJS.

 

Key Action 1: mobiliteit van leerlingen en personeel

 

KA1 Individuele mobiliteit voor het basis- en secundair onderwijs

 
De actielijn Individuele mobiliteit beoogt de kennis en de vaardigheden van professionals in het basis- en voortgezet onderwijs te vergroten en/of te verdiepen door mobiliteitsprojecten. Leraren krijgen meer mogelijkheden om in Europa te leren en te doceren.

 

Voor wie is de subsidie bedoeld?

 
Personeel van het basis- en voortgezet onderwijs zoals leraren, ondersteuners en directeuren.
 

Wat is het doel van deze subsidie?

 
Het verankeren van internationalisering in het schoolbeleid van het basis- en voortgezet onderwijs. Deze verankering kan plaatsvinden door met internationalisering aan te sluiten bij de thema’s die leven in de school. Mogelijke thema’s zijn onderwijs in vreemde talen, excellentie en talentontwikkeling, professionalisering van leraren en schoolleiders, rekenen en taalonderwijs, ondernemerschap, voorschoolse educatie, virtuele uitwisseling, techniek, voortijdig schoolverlaten, profielscholen en samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Erasmus+ kan scholen helpen bij het in internationaal verband werken aan een van deze thema’s.
 

Wat zijn voorbeelden van mobiliteitsprojecten?

 
Activiteiten t.b.v. professionele ontwikkeling, zoals nascholingscursussen, trainingen, job shadowing en lesgeven in een ander land. De "course catalogue" is een mogelijkheid om internationale nascholingscursussen te vinden.
 

Wat is de duur van een activiteit?

 
2 dagen tot 2 maanden (exclusief de reistijd).
 

Deelnemende landen

 
Alle 28 EU-lidstaten participeren, evenals IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Turkije en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (zogeheten programmalanden). Let op: Zwitserland wordt vooralsnog niet gezien als programmaland.
 

Wat is de deadline voor het indienen van een aanvraag?

 
Eenmaal per jaar, meestal in februari of maart.
 
Info en aanvraagformulieren: www.epos-vlaanderen.be
 

Wie dient de aanvraag in?

 
Scholen stellen de behoefte aan internationale nascholing op hun vestiging (per BRIN 6-nummer) vast en verwerken deze in een KA1 subsidieaanvraag.
 

Wat is de looptijd van een project?

 
Projecten hebben een looptijd van 1 of 2 jaar, vanaf 1 juni.
 

Zijn er bijzonderheden m.b.t. de aanvraag?

 
  • De school, dus niet een individuele medewerker, dient een aanvraag in voor alle beoogde nascholingsactiviteiten van het personeel, voor een periode van één of twee jaar ineens.
  • Zorg voor een goede voorbereiding, aangezien er wordt gevraagd naar de behoeften op het gebied van kwaliteitsontwikkeling en internationalisering, plannen voor Europese mobiliteits- en samenwerkingsactiviteiten en de inbedding van de door het personeel opgedane vaardigheden en ervaringen in het strategische beleid van de school.
  • In Erasmus+ kunnen subsidies alleen digitaal (online) worden aangevraagd.
 

Uit welke onderdelen bestaat de aanvraag?

 
  • Beschrijving van de eigen organisatie
  • European Development Plan
  • Beschrijving van het mobiliteitsproject
  • Profiel van de beoogde deelnemers
  • Voorbereidingen
  • Activiteiten Follow-up (impact, disseminatie, evaluatie)
  • Budget
  • Samenvatting.
 

Hoe is de subsidie opgebouwd?

 
  1. Unit costs
    • Reis – subsidie per afstandscategorie
    • Verblijf – subsidie per deelnemer per dag
    • Organisatie – subsidie per deelnemer
    • Cursus – subsidie per deelnemer per dag
  2. Real costs
    • Special needs – voor deelnemers met een handicap

Hoe wordt de aanvraag beoordeeld?

 
  • Relevantie van het project: maximaal 30 punten
  • Kwaliteit van het projectplan en de implementatie: maximaal 40 punten
  • Impact en disseminatie: maximaal 30 punten.
 
Om voor financiering in aanmerking te komen, moeten minstens zestig punten worden gehaald. Bovendien moet op elk afzonderlijk onderdeel tenminste 50% van het maximaal haalbare aantal punten worden gescoord.
 

Key Action 2: strategische partnerschappen voor het basis- en voortgezet onderwijs

 
Strategische partnerschappen zijn (klein- en grootschalige) internationale samenwerkingsprojecten binnen de onderwijs- en jeugdsector, gericht op het ontwikkelen, overdragen en implementeren van innovatieve aanpakken. Op organisatie-, lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
 

Wat is het doel van deze subsidie?

 
  • De innovatie en kwaliteitsverbetering van het onderwijs (bijvoorbeeld methoden curricula, ict-tools);
  • Het versterken van de samenwerking tussen actoren uit het onderwijsveld, overheid en bedrijfsleven;
  • Het delen van kennis en good practices op gebied van onderwijs;
  • Het erkennen en valideren van leerresultaten.
 
Mogelijke thema’s zijn onderwijs in vreemde talen, excellentie en talentontwikkeling, professionalisering van leraren en schoolleiders, rekenen en taalonderwijs, ondernemerschap, voorschoolse educatie, virtuele uitwisseling, techniek, voortijdig schoolverlaten, profielscholen en samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven.
 

Hoe wordt dit doel bereikt?

 
  • Samenwerken aan beleidsprioriteiten, uitdagingen, behoeften van een specifieke onderwijssector
  • Bevorderen van sectoroverstijgende samenwerking.
 

Wat zijn voorbeelden van projectactiviteiten?

 
  • Projectvergaderingen en andere soorten mobiliteit
  • Netwerken, het uitwisselen van ervaringen en good practices
  • Samenwerking met verschillende actoren (overheid, bedrijfsleven, etc.)
  • Innovaties (methodes, tools, curricula, studieprogramma’s, trainingen, gebruik van ict, Open Educational Resources).
 

Voor wie is de subsidie bedoeld?

 
Organisaties die actief zijn in het opleiden en trainen of die in het verlengde daarvan actief zijn, zoals scholen, beroepsopleidingen, universiteiten, lokale, regionale of nationale overheden, validerende instellingen, kamers van koophandel, bedrijven, non-profit instellingen.
 

Wat is de deadline voor het indienen van een aanvraag?

 
Eenmaal per jaar, meestal in maart. Info en aanvraagformulieren: www.epos-vlaanderen.be .
 

Wat is de looptijd van een project?

 
Projecten hebben een looptijd van twee of drie jaar, vanaf 1 september.
 

Hoeveel partners kunnen meedoen?

 
Een strategisch partnerschap dient te bestaan uit minimaal drie organisaties uit drie verschillende programmalanden. Er is geen maximum aantal deelnemende organisaties. Het maximale subsidiebedrag is echter gebaseerd op tien partners.
 
Uitzonderingen:
  • Strategische partnerschappen tussen alleen scholen: minimaal twee scholen uit twee verschillende programmalanden;
  • Strategische partnerschappen ter bevordering van samenwerking tussen lokale/regionale onderwijsautoriteiten (minimaal twee schoolbesturen uit programmalanden plus in elk land één school en één andere organisatie; voorheen Comenius Regio Partnerschap).
 

Uit welke onderdelen dient de aanvraag te bestaan?

 
  • Deelnemende organisaties: coördinator plus partner(s)
  • Beschrijving van het project
  • Voorbereiding
  • Projectmanagement
  • Implementatie
  • Betrokkenheid van ’minder bedeelden’
  • Projectactiviteiten
  • Follow-up (implementatie, disseminatie en duurzaamheid)
  • Budget
  • Samenvatting
 

Zijn er bijzonderheden m.b.t. de aanvraag?

 
De coördinator van het project sluit het contract voor het hele partnerschapsbudget ineens af. Uitzondering: strategische partnerschappen tussen alleen scholen.
Mobiliteit binnen KA2 is alleen mogelijk indien het van toegevoegde waarde is voor het project (doelstellingen).
 

Activiteiten van langere duur (61 dagen – 12 maanden):

  • Docentenmobiliteit
  • Individuele leerlingenmobiliteit
 

Activiteiten van kortere duur (5 – 60 dagen):

  • Joint staff training events
  • Leerlingenuitwisselingen (groep).
 

Hoe wordt de aanvraag beoordeeld?

 
  • Relevantie van het project: maximaal dertig punten
  • Kwaliteit van het projectplan en de implementatie: maximaal twintig punten
  • Kwaliteit van het projectteam en de samenwerking: maximaal twintig punten
  • Impact en disseminatie: maximaal dertig punten.
 
Om voor financiering in aanmerking te komen, moeten minstens zestig punten worden gehaald. Bovendien moet op elk afzonderlijk onderdeel tenminste 50% van het maximaal haalbare aantal punten worden gescoord.
 
Hoe is de subsidie opgebouwd?
 
Bij schoolprojecten krijgt iedere school een budget rechtstreeks van eigen Nationaal agentschap.
  1. Unit costs
    • Beheer en uitvoering – subsidie per organisatie per maand
    • Transnationale projectvergaderingen – subsidie per deelnemer per vergadering
    • Mobiliteit binnen het Partnerschap (indien van toepassing) – subsidie voor reiskosten per afstandscategorie, verblijfkosten per dag en (eventuele) taalvoorbereiding van minimaal twee maanden.
    • Intellectual outputs – subsidie voor personeelskosten
    • Multiplier events – subsidie per deelnemer.
  2. Real costs
    • Special needs – voor deelnemers met een handicap
    • Uitzonderlijke kosten, bijvoorbeeld subcontracting of equipment.
 
Het project wordt beoordeeld in het land van de coördinatie (alles of niets!)
 

Is sectoroverstijgende samenwerking mogelijk?

 
Ja. Het is ook mogelijk om projecten aan te vragen waarin verschillende (onderwijs)sectoren betrokken zijn.
 

Deelnemende landen

 
Alle 28 EU-lidstaten participeren evenals IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Turkije en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (de zogeheten programmalanden). Aan sommige actielijnen zullen ook landen van buiten de EU meedoen (de zogeheten partnerlanden). Let op: Zwitserland wordt vooralsnog niet gezien als programmaland.

Jouw contactpersoon

Jens Vermeersch

beleidscoördinator int ond ont, Beleid en Strategie

Willebroekkaai 36, 1000 Brussel