Ben je geen GO! professional? Surf dan naar www.g-o.be, onze algemene website.
menu
31-05-2021

Hoe gezond zijn onze scholen?

De frisdrankautomaat op school is het uitsterven nabij, en afspraken over de e-sigaret worden steeds vaker opgenomen in het schoolreglement. Dat blijkt uit de meest recente indicatorenbevraging, een vierjaarlijkse grootschalige bevraging die het preventieve gezondheidsbeleid meet in verschillende ‘settings’, waaronder het basis- en secundair onderwijs in Vlaanderen en Brussel. Enkele werkpunten voor de toekomst? Meer groenten en plantaardige vleesvervangers op het schoolmenu, meer aandacht voor beweging en minder lessen over het thema drugs.


Om de vier jaar peilt het Vlaams Instituut Gezond Leven vzw, i.s.m. de Logo’s en de Vereniging voor Alcohol en andere Drugs (VAD), in opdracht van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, naar het preventieve gezondheidsbeleid in scholen. Die zogenaamde ‘indicatorenbevraging’ stelt vragen als: hoeveel scholen bieden gratis drinkwater aan? Hoe worden leerlingen gemotiveerd om meer te bewegen? En wat zijn de regels over roken aan de schoolpoort? De laatste bevraging gebeurde in 2019.

Dit zijn alvast 11 opvallende conclusies uit de indicatorenbevraging van 2019 op een rij.

1. Hallo, H20!

In quasi alle basisscholen wordt gratis water aangeboden, en 78% laat toe om te drinken tijdens de les. Dat is een verbetering in vergelijking met 2015 (67%). In 85% van de secundaire scholen is gratis water beschikbaar, wat anderzijds ook wil zeggen dat 15% het nog níet aanbiedt. Nochtans is dit cruciaal: Gezond Leven raadt aan om elke dag gratis water aan te bieden, als onderdeel van een evenwichtig drankenaanbod op school.

2. Frisdrank? Nee, bedankt

Zo goed als alle basisscholen bieden nooit frisdrank aan, ook geen light of zero varianten. In het secundair onderwijs biedt 84% nooit meer frisdrank aan – een forse verbetering tegenover de 31% in 2015. Het streefdoel is om het frisdrankenaanbod volledig uit te doven. 

Fruitsap bevat evenveel suiker als frisdranken. Daarom vallen ze ook onder het uitdoofbeleid, waarmee scholen zich engageren het aanbod geleidelijk af te bouwen. Dit wordt zowel in het basis- als het secundair onderwijs goed opgevolgd: 84% van de deelnemende basisscholen en 78% van de deelnemende secundaire scholen biedt nooit meer fruitsap aan, ook een duidelijke verbetering tegenover 2015. 

3. Genoeg groenten?

Opvallend: het aantal deelnemende basisscholen dat dagelijks een volwaardige groenteportie (= de helft van het bord) bij warme maaltijden serveert, is gedaald: in 2015 was dat 57%, in 2019 nog maar 51%. In het secundair onderwijs staat in 6 op de 10 van de deelnemende scholen dagelijks een volwaardige groenteportie op het menu. Dat is wel een verbetering tegenover 2015 (50%), al blijft het ook een aandachtspunt.

4. Kroketjes en co

60% van de deelnemende basisscholen biedt nooit frieten of kroketten aan, een stijging tegenover de 47% in 2015. 39% van de deelnemende basisscholen zet ze maximaal één keer per week op het menu. In het secundair onderwijs blijven ze wel populair: slechts 10% biedt ze niet nooit aan. Gezond Leven raadt aan om ze minder vaak op het menu te zetten, bijvoorbeeld enkel bij speciale gelegenheden.

5. Werkpunt: minder vlees, meer veggie

In 59% en 23% van de basisscholen wordt respectievelijk ‘wit vlees’ (gevogelte zoals kip, kalkoen) en rood vlees (rund, varken, schaap …) vaker dan 1 keer per week aangeboden. 48% biedt nooit voedzame plantaardige vleesvervangers aan. Met zo’n gezonde vleesvervanger worden onder meer peulvruchten, tofu of sojastukjes bedoeld, en bijvoorbeeld geen (gepaneerde) groenteburgers. In het secundair onderwijs zijn de cijfers iets beter, maar zien we een gelijkaardige tendens. 

De aanbeveling luidt nochtans om maximaal 1 keer ‘wit vlees’ en 1 keer ‘rood vlees’ op het weekmenu te zetten, en minimum éénmaal af te wisselen met een gezonde plantaardige vleesvervanger. De idee hierachter is dat er voldoende wordt gevarieerd tussen wit en rood vlees, vis en plantaardige vleesvervangers (zoals peulvruchten).

6. ‘Blijf zitten!’ wordt ‘Blijf níet zitten!’

Het thema ‘lang stilzitten’ komt – vooral in het secundair onderwijs – te weinig aan bod: slechts 30% van de secundaire scholen is ermee bezig, wat hetzelfde is als in 2015. Kinderen en jongeren zaten al 6 tot 9,5 uur per dag stil; door de coronamaatregelen is dit meer dan waarschijnlijk nog toegenomen. Nochtans biedt minder uren zitten verschillende voordelen. Denk aan een betere nachtrust of een gezonder gewicht op lange termijn. Daarom is het belangrijk om stilzitten in de klas regelmatig te onderbreken. 

Er is nog heel wat groeimarge rond het aanpassen van de klas- en schoolomgeving om leerlingen minder lang te laten stilzitten (bv. zit-stabureaus). Daarnaast kunnen meer afspraken worden gemaakt over bv. elk halfuur even rechtstaan, buiten of op verplaatsing lesgeven, het gebruik van smartphones … Zo worden leerlingen gestimuleerd om vooral níet te lang stil te zitten en meer te bewegen. De bewegingsdriehoek vormt hierbij een bruikbare leidraad.

7. Aandacht voor actieve verplaatsingen

3 op de 4 basisscholen voorziet nog steeds geen begeleiding voor leerlingen om zich actief te verplaatsen, bv. samen met de fiets van en naar school gaan. Sinds 2015 is dit niet verbeterd. In het secundair onderwijs daalt het aantal scholen dat uitstappen te voet of per fiets doet, van 56% in 2015 naar 46% in 2019. Een groot aandachtspunt: de aanbeveling voor kinderen en jongeren is om elke dag gemiddeld 60 minuten matig tot intensief te bewegen. Volgens onderzoek komen 10- tot 17-jarigen in België nu aan gemiddeld 48 minuten per dag. 

8. Speelplein zonder grenzen

Een verbeterpunt voor zowel basis- als secundair onderwijs blijft om beweeginfrastructuur ook na de schooldag beschikbaar te stellen, zoals de speelplaats of de sportzaal. Dat kan voor de eigen leerlingen zijn, maar ook voor kinderen uit de wijk of lokale clubs. Zo worden kinderen en jongeren gestimuleerd om meer te bewegen en krijgen kwetsbare mensen meer nabije bewegings- en speelruimte, wat een noodzaak bleek tijdens de coronapandemie. Het openstellen van beweeginfrastructuur sluit aan bij de doelstelling van een ‘brede school’, een principe waarbij meerdere organisaties met scholen samenwerken om de ontwikkelingskansen van álle kinderen en jongeren te vergroten. 

9. Mentaal welbevinden is prioritair

Het mentaal welbevinden van leerlingen staat prominent op de (school)agenda: respectievelijk 59% en 70% van de leerkrachten in basis- en secundair onderwijs wordt (bijkomend) opgeleid in ‘klasmanagement’: o.a. het geven van positieve feedback, het verhogen van emotionele intelligentie en het verminderen van klassikale conflicten. 

Ook wordt schoolpersoneel opgeleid om signalen te kunnen herkennen van mentale problemen bij leerlingen en hoe ze hierop moeten reageren (44% in basisonderwijs; 53% in secundair onderwijs). Quasi alle scholen voorzien gepaste begeleiding voor leerlingen met mentale problemen.

Daarnaast is het aantal basisscholen dat over een groene-, stille- of snoezelruimte beschikt, gestegen in vergelijking met 2015.

10. Regels over roken

Bijna alle secundaire scholen hebben afspraken en regels over roken, en 80 procent geeft aan dat de e-sigaret is opgenomen in het schoolreglement. Een positief punt, want met duidelijke regels en afspraken kunnen scholen mee helpen voorkomen dat leerlingen beginnen te roken, of ze stimuleren om ermee te stoppen. Het vertrekpunt daarvoor is de huidige wetgeving: een totaal rookverbod op scholen. De school versterkt zo haar voorbeeldfunctie, en creëert een omgeving waarin jongeren worden gestimuleerd om rookvrij te blijven. 

Wél een belangrijk werkpunt: roken aan de schoolpoort ontmoedigen. 10% van de basisscholen laat dit nog toe voor personeel en ouders, in het secundair onderwijs is dat 15% en 17% voor respectievelijk ouders en personeel. Het advies luidt om die percentages tot nul te reduceren. Want ‘zien roken, doet roken’, en volwassenen hebben hierbij een voorbeeldfunctie. 

11. Afkicken van lessen rond illegale drugs 

73% van de basisscholen en 81% van de secundaire scholen geeft les over het thema ‘illegale drugs’. Bij deze cijfers willen we een kanttekening maken. Preventie over alcohol en Illegale drugs geef je het best vóór jongeren ermee experimenteren. Maar nog belangrijker is dat je deze thema’s niet té vroeg met hen bespreekt. Alcohol- en drugpreventie die te vroeg komt, is niet effectief, maar kan jongeren net nieuwsgierig maken en zo experimenteergedrag uitlokken. Preventie die te vroeg komt, is dus contraproductief.

“We vinden deze cijfers te hoog”, zegt Katleen Peleman van VAD. “Via de leerlijn geven we het advies om in het basisonderwijs geen preventie rond illegale drugs te geven. En ook in het secundair bereik je meer door gericht in gesprek te gaan met die leerlingen die in contact komen met drugs. Het thema alcohol kan dan wel weer vanaf de 3e graad lager onderwijs aan bod komen.”

Meer resultaten van de indicatorenbevraging 2019 vind je hier.